Je bekijkt nu Antwerpen gebombardeerd door een zeppelin
Zeppelin, bombardement op Antwerpen, 1914 (Collectie Guido Deseijn - Erfgoedbank Land van Rode.)
  • Berichtcategorie:Opmerkelijk

Augustus 1914, de Duitse troepenmacht verovert ons land in snel tempo. Voor de fortengordels van Antwerpen worden ze tot staan gebracht. De slag rond Antwerpen duurt maar enkele weken, maar zal het verdere verloop van de Eerste Wereldoorlog bepalen. De stad en zijn inwoners krijgen het zwaar te verduren. In de nacht van 24 op 25 augustus bombardeert een Zeppelin de stad.

De zeppelin die Antwerpen in de nacht van 24 augustus bombardeerde liet zo’n 9 à 10 bommen vallen. Deze wogen elk 200 tot 250 kg en waren gevuld met klein ijzer en meliniet. Zeppelins of luchtschepen werden sinds hun uitvinding in 1895 door graaf Ferdinand von Zeppelin voornamelijk gebruikt voor passagiersvervoer. In de Eerste Wereldoorlog werden ze actief ingezet in de oorlogsvoering. De aanval op Antwerpen was, na die op Luik op 9 augustus, de tweede maal in de luchtvaartgeschiedenis dat een luchtaanval op burgers werd uitgevoerd met een zeppelin. Luchtschepen vlogen doorgaans erg hoog, buiten het bereik van het geschut op de grond. Maar als ze wilden mikken, moesten ze indalen en werden ze kwetsbaar. Het manoeuvreren met de schepen was moeilijk en precisieaanvallen waren daardoor nagenoeg onmogelijk waardoor de luchtschepen in de loop van de Eerste Wereldoorlog verantwoordelijk waren voor heel wat burgerslachtoffers. Vooral in het Verenigd Koninkrijk veroorzaakten ze veel schade. De zeppelins werden er gehaat en gevreesd.

Op het moment van het bombardement op Antwerpen, was men nog niet vertrouwd met de zeppelinterreur. Men wist nog niet hoe zich te verzetten en beschermen tegen een luchtaanval. Dat blijkt uit het dagboek van Antwerps advocaat en schrijver Jozef Muls:

Plots schoot ik met een schok wakker. Ik hoorde een groot gerommel als van donder en dacht aan een onweder. Maar weer daverde een geweldige slag. [… ] De stad werd zeker onverwacht beschoten. Ik ging zien aan het venster maar eene ontzettende ontploffing kraakte zoo nabij in de stad dat de ruiten rammelden en ik werktuiglijk achteruitsprong voor ‘t geweld. Ik kleedde mij aan en liep naar de kamer mijner ouders. [… ] Ik zag bij het aarzelende licht van een nachtpitje, vader en moeder overeind zitten, te midden der wit-grauwe frommeling der beddelakens. Hunne bleeke en door den slaap nog verouderde en doorrimpelde gezichten keken verdwaasd en verschrikt.

—”Het is de beschieting!”

—”Het zijn misschien maar signalen of proefschoten.”

—”Laat ons bidden” zei iemand en ik hoorde paternosterbeiers tegen elkaar rollen in een hand.

Ik liep naar boven om uit de hoogste vensters over de stad te zien. Ik hoorde toen heel duidelijk het geronk van schroeven, hoog ievers in de lucht, maar zag niets. Het werd mij duidelijk nu dat het een Zeppelin was. Herhaaldelijk daverden er nog ontploffingen over de stad, maar steeds op verder en verder afstand. Telkens gingen er als bliksemschichten door de lucht. Het waren de losbarstingen van bommen die het moordschip uitwierp. Ik hoorde een gekletter van ruitscherven en enkele geweren knallen, van burgerwachten, waarschijnlijk, die vruchteloos op den Zeppelin vuurden.

De bommen sloegen in op de Schermersstraat, in de Kruidtuin vlak bij het Sint-Elisabethgasthuis, in de Twaalfmaandenstraat, op de Stadswaag, in de Falconkazerne, nabij de Lange Lozanastraat, in de Justitiestraat, in de Verdussenstraat en in de buurt van de fabriek Minerva.

In het doodsoorzakenregister vinden we de zeven dodelijke slachtoffers van de raid terug, hun doodsoorzaak: éclats de bombe, bomscherven.

  • De 19-jarige boekbinder Eduardus Van Berlo
  • de 27-jarige Maria Ramaeckers, een meid werkzaam bij dokter Mertens in de Schermersstraat die overleed toen het dak van de woning op haar neerstortte
  • de 41-jarige dokwerker Petrus de Backer, die overleed bij de aanval op de Falconkazerne
  • De 35-jarige politieagent Jan (Jules) van Cotthem kwam samen met twee politieagenten aangelopen op de Stadswaag toen daar de bom viel. Hij was op slag dood, zijn twee collega’s werden zwaargewond afgevoerd naar de Blindestraat. Een van hen verloor een been.
  • De 46-jarige dokwerker Joannes (Jan Frans) Jensen
  • De echtgenoten Arthur Van Hecke (31 jaar, dokwerker) en Joanna De Bruyn (33 jaar, herbergierster) trof een wel erg wreed lot. Zij stonden aan het venster van hun slaapkamer toen de bom op de Stadswaag viel. Joanna werd onthoofd door een rondvliegend projectiel. Arthur was zwaargewond en overleed voor men hem op een draagberrie had kunnen leggen.

De raid maakte niet bijzonder zoveel slachtoffers maar had een grote impact op het dagelijkse leven van de Antwerpenaren. De toenmalige burgermeester Jan De Vos, besliste na de raid dat de stad vanaf 8 uur ‘s avonds in duister moest worden gehuld om te vermijden dat overvliegende luchtschepen al te gemakkelijk hun doelen zouden kunnen lokaliseren. Van dan af veranderde de stad in een donkere haven. De Gazet van Antwerpen schreef op 27 augustus: “De tram heeft opgehouden te bollen. In de statie is de duisternis bijna volledig en de grote hal heeft een treurig uitzicht. Antwerpen is als een dorp waar iedereen met de kiekens gaat slapen.”

De Zeppelinraid wordt ook behandeld in het werk van Paul Van Ostayen die met het gedicht Bedreigde Stad aan de oorsprong ligt van de uitspraak “Jef Jef Jef, ne zeppelin, kruipt al gauw de kelder in”. Na deze eerste raid werd de bevolking inderdaad aangespoord om bij een luchtaanval te gaan schuilen in kelders. Veel van de slachtoffers van 25 augustus, vooral diegene aan de Stadswaag, waren namelijk mensen die aan het raam van hun slaapkamer waren gaan staan toen ze de bominslagen hoorden.

Lees meer:

  • Thomas Maes, Antwerpen 1914. Bolwerk van België tijdens de Eerste Wereldoorlog.
  • Jozef Muls in “De Val van Antwerpen”
  • Gazet van Antwerpen 27 augustus 1914, Antwerpen in den donkere, p. 3
  • De Nieuwe Gazet, Antwerpen gebombardeerd door een “Zeppelin”. Een weergaloze Schanddaad. 26 augustus 1914, p. 1-2.
  • Paul Van Ostayen, Bezette Stad, 1921, gedicht bedreigde stad.