De voorbije maanden gingen enkele van onze vrijwilligers aan de slag met het doodsoorzakenregister van de gemeente Zele. Het register van Zele biedt een interessant contrast met het Antwerpse register omdat het ons toelaat om een vergelijking te maken tussen stad en platteland. We zullen kunnen nagaan hoe en of het doodsoorzakenpatroon en de medische kennis in beide gebieden verschilde. In het doodsoorzakenregister van Zele doken alvast regelmatig doodsoorzaken op die we zelden tegenkwamen in de Antwerpse registers.

Een vaak vermelde doodsoorzaak in het register van Zele is ‘Vuur’, waarmee Sint-Antoniusvuur werd bedoeld. De term Sint-Antoniusvuur kon afhankelijk van de plaats en de tijd naar verschillende aandoeningen verwijzen. Hiermee leggen we meteen een moeilijkheid bloot in het vergelijkend onderzoek naar doodsoorzaken in tijd en ruimte. Hoe weten we naar welke doodsoorzaak een bepaalde term verwees en welke implicaties heeft dit voor het wetenschappelijk onderzoek?

Sint-Antoniusvuur dankt zijn naam aan de Heilige Sint Antonius die in 251 voor Christus werd geboren in het oude Egypte. Sint-Antonius bracht zijn leven door in de woestijn waar hij in eenzaamheid en eenvoud leefde. Hij wordt gezien als een van de eerste christelijke monniken en staat bekend als de vader van het kloosterleven. Kort na zijn dood werd hij heilig verklaard. Zijn gebeente werd naar West-Europa gebracht waar hij patroonheilige werd tegen de pest, veeziekten en wat men Sint-Antoniusvuur noemde. Historici duidden verschillende mogelijk ziekten aan wanneer de term Sint-Antoniusvuur wordt vermeld, alle veroorzaken ze ernstige huidaandoeningen en een branderig gevoel.

Ergotisme

De eerste en (in onze streken) meest plausibele verklaring voor Sint-Antoniusvuur is ergotisme. Ergotisme of de ‘kriebelziekte’, zoals de aandoening ook werd genoemd, is een ziekte die wordt veroorzaakt door het eten van met moederkoorn besmet graan. Moederkoorn is een schimmel (Claviceps purpurea), die op graan groeit na koude winters in natte lentes. In deze tijd van het jaar, als er nog niet veel te oogsten valt, konden arme boeren het zich niet veroorloven om aangetaste gewassen te vernietigen. Vooral op rogge kwam veel moederkoorn voor (zie figuur 1). Rogge groeit goed in koele gebieden met een slechte afwatering en zure grond (het soort gebieden waar tarwe het niet goed doet). Helaas gedijt Claviceps purpurea ook goed in vochtige omstandigheden.

Figuur 1: Rogge besmet met moederkoorn (© Wikimedia)

Het eten van graan besmet met moederkoorn veroorzaakte een vergiftiging die leidde tot spasmen, diarree, jeuk, hoofdpijn, misselijkheid, braken, hallucinaties, krankzinnigheid, blaren, en gangreen van de vingers, voeten en ledematen. Onbehandeld en bij een langdurige blootstelling kon de vergiftiging leiden tot de dood. Personen getroffen door ergotisme ervoeren vaak hevige jeuk die werd vergeleken met een intern brandend vuur, vandaar de benaming Sint-Antoniusvuur, Heilig Vuur of Ignis Sacer.

Epidemieën van ergotisme kwamen in de middeleeuwen geregeld voor en troffen vooral de armen omdat die vaker rogge aten. Rogge werd beschouwd als een minderwaardig graan en kwam vooral op tafel in lagere bevolkingsklassen. Een van de eerste onbetwistbare vermeldingen van een ergotisme-epidemie dateert uit het jaar 857 in Duitsland. In de Annales Xantenses stond geschreven:

“Een grote plaag van gezwollen blaren verteerde het volk door een walgelijke rotting, zodat hun ledematen loskwamen en voor de dood afvielen.”

In 945 werd ook Parijs getroffen door een epidemie van ergotisme en in 994 kostte een epidemie in Acquitanië aan 40.000 mensen het leven, aldus historische bronnen. Minstens 130 epidemieën van ergotisme werden in Europa gedocumenteerd tussen 591 en 1789.

Sint-Antonius werd volgens de christelijke overlevering aan een hele resem beproevingen blootgesteld die suggereren dat hij aan ergotisme leed. De orde van Sint-Antonius werd in 1095 opgericht in Frankrijk en ving zieken met ergotisme op. De afgevallen ledematen van de zieken werden als offer aan Sint-Antonius tentoongesteld aan de ingang van deze kloosters. De goede voeding in de kloosterorde zorgde ervoor dat velen genazen waardoor de orde bekender werd en zich verspreidde over heel Europa.

Volgens de hippocratische geneeskunde moest de hitte van het Sint-Antoniusvuur bestreden worden met afkoelingsmiddelen. Eén ‘geneesmiddel’ was het sap van de mandragora appel. Dat sap, zo weten we vandaag, was eveneens toxisch en leidde in hoge dosissen tot hallucinaties, vooral het gevoel dat men vloog kwam vaak voor. Verwijzingen naar de ziekte en de bijhorende hallucinaties komen veelvuldig voor in de middeleeuwse schilderkunst. Onder andere Hieronymus Bosch schilderde meerdere werken met mensen getroffen door ergotisme, soms met vliegende objecten op de achtergrond (zie figuur 2).

Figuur 2: Fragment uit triptiek ‘De verzoeking van de Heilige Antonius’,
Hieronymus Bosch, ca. 1501 (© Wikimedia)

Pas in de zeventiende eeuw ontdekte men de oorzaak van ergotisme en vanaf de achttiende eeuw paste men profylactische maatregelen toe zoals het reinigen of vernietigen van aangetaste granen. Het moederkoorn werd wel nog actief geoogst voor medische doeleinden. Zo werd het omwille van de spasme-opwekkende eigenschappen gebruikt om bevallingen op te wekken. Omdat het erg moeilijk was om de juiste dosering te hanteren, leidde dit vaak tot doodgeboorte en werd het gebruik in de loop van de negentiende eeuw afgeraden.

Medische historici denken nu dat ergotisme verantwoordelijk kan zijn geweest voor veel gedragingen die alleen in de middeleeuwen werden waargenomen, zoals psychoses die op grote schaal voorkwamen. Ergotisme wordt ook gelinkt aan hekserij omdat de symptomen overeenkomen met wat men beschouwde als beheksing. Ook de dansende ziekte of dansmania die op meerdere plaatsen in Europa opdook tijdens de middelleeuwen werd al gelinkt aan ergotisme. De gifstoffen uit moederkoorn, de zogenaamde alkaloïden, vormen bovendien de ingrediënten voor de hallucinogene drug LSD.

Erysipelas of wondroos

Een tweede ziekte die gelinkt wordt aan Sint-Antoniusvuur is erysipelas. De term erysipelas komt al voor in de werken van Hippocrates waar hij het omschrijft als een rode, jeukende huid. In de daaropvolgende eeuwen en tot de negentiende eeuw werden verschillende ernstige huidinfecties geklasseerd onder de term erysipelas (zoals pyoderma gangrenosum, necrotiserende fasciitis, Fournier’s gangreen en, waarschijnlijk, toxisch shock syndroom).

Vandaag wordt met de term erysipelas een bacteriële infectie van de opperste huidlagen bedoeld, ook gekend als wondroos. Bij wondroos ontstaat een rode, warme, snelgroeiende vlek op de huid waarop blaren kunnen verschijnen die spontaan openen. Zieken krijgen ook andere symptomen zoals koorts, spierpijn, hoofdpijn en braakneigingen. De infectie wordt vandaag behandeld met antibiotica.

In de Angelsaksische wereld wordt deze aandoening nog steeds benoemd met de term Sint-Antoniusvuur.

Gordelroos (Herpes Zoster)

Een derde aandoening die onder de noemer Sint-Antoniusvuur gekend was, is gordelroos of herpes zoster (zona). Dit is een virale aandoening die volgt op een reactivering van het latent aanwezige varicella-zoster virus bij mensen die eerder al waterpokken hadden. De ziekte leidt tot een pijnlijke, branderige rode huid met kleine blaartjes die na twee tot drie weken verdwijnen. De ziekte is tot op vandaag in Italië, Frankrijk en Spanje bekend als het Sint-Antoniusvuur. In die landen werden ook de waterpokken bij kinderen soms aangeduid als Sint-Antoniusvuur.

De builenpest

Ook sommige gevallen van de pest kunnen verkeerd zijn geclassificeerd als Sint-Antoniusvuur. Tijdens de zestiende-eeuwse pestepidemieën, werd er in Italië, en met name in de streek van Venetië, gebeden tot Sint-Antonius. De builenpest (Yersinia pestis) veroorzaakte vergrote, zwerende lymfeklieren en ernstige huidaantastingen waardoor de ziekte werd geclassificeerd als een ander type van het Sint-Antoniusvuur.

Detail uit de Sint-Antonius verzoeking van Mathias Grünewald, ca. 1512-1516.
De zwarte builen van ergotisme konden verward worden met de builenpest.

Historici menen vandaag dat de pest en ergotisme ook vaak samen voorkwamen, aangezien door ergotisme ook de natuurlijke weerstand tegen andere ziekten afnam. Na de grote pestepidemie van 1347 volgde een grote ergotisme-epidemie in Europa. De slechte weersomstandigheden en de verzwakte bevolking speelden daarin een cruciale rol.

Conclusie

Kortom, gedurende verschillende eeuwen kreeg vrijwel elke aandoening die een brandende pijn in de huid en blaren veroorzaakte de naam Sint-Antoniusvuur. Welk ‘vuur’ de inwoners van Zele tijdens de negentiende trof, weten we nog niet, al lijkt ergotisme de grootste kanshebber. Verder onderzoek moet dit uitwijzen. Zele was een arme plattelandsgemeente waar rogge zonder twijfel op het menu stond. De vochtige Vlaamse gronden vormden een ideale voedingsbodem voor moederkoorn. We moeten echter voorzichtig zijn wanneer we een geval van Sint-Antoniusvuur opmerken in een historische bron. Enkel een grondige studie van de context kan helpen om tot een goede inschatting te komen.

Bibliografie en meer lezen

  • Alm T, Elvevåg B. Ergotism in Norway. “The symptoms and their interpretation from the late Iron Age to the seventeenth century”, in History of Psychiatry vol. 24, nr. 1 (2013):15-33. doi:10.1177/0957154X11433960
  • Bauer, V.H. Das Antonius-Feuer in Kunst und Medizin (St. Anthony’s Fire in art and medicine). Berlin, Heidelberg, New York: Springer Verlag, 1973.
  • Cervellin, G., Longobardi, U., Lippi G. ‘One holy man, one eponym, three distinct diseases. St. Anthony’s fire revisited’, in Acta Biomed Vol.92, nr.1 (2020). doi: 10.23750/abm.v92i1.9015. PMID: 33682839; PMCID: PMC7975928.
  • Grzybowski, A., Pawlikowska-Łagód, K., Polak, A. ‘Ergotism and Saint Anthony’s fire’, in Clinics in Dermatology, Vol. 39, nr. 6 (2021): pp. 1088-1094.
  • Hagan, A. “From Poisoning to Pharmacy: A Tale of Two Ergots”, in American Society for microbiology, Blogpost 2018. (online geraadpleegd op 19 december 2022 https://asm.org/Articles/2018/November/From-Poisoning-to-Pharmacy-A-Tale-of-Two-Ergots)
  • Van Dongen, P.W.J. “Het Antoniusvuur in de Middeleeuwen”, in Geschiedenis der Geneeskunde 2 (1995): 116-122.