Auteur: Bert Depotter

Weinig ziekten zijn zo dodelijk als hondsdolheid of rabiës. Wie symptomen ontwikkelt, overlijdt in 99,9% van de gevallen.

Dat we hondsdolheid nog altijd vrezen, bleek deze week, toen in Duitsland hondsdolheid werd vastgesteld bij een uit Rusland geadopteerde hond. In Rusland komt de ziekte, in tegenstelling tot in België en Duitsland, nog geregeld voor. Dieren die uit het buitenland geïmporteerd worden, moeten een vaccinatiebewijs kunnen voorleggen. Net met die bewijzen bleek nu te zijn gefraudeerd. De Belgische voedselveiligheidsautoriteit roept daarom op tot extra waakzaamheid bij 50 gezinnen die een huisdier via dezelfde Russische organisatie adopteerden.

Wat is hondsdolheid precies? In deze ‘ziekte in de kijker’ ontdek je alles over rabiës en de verrassende link met ons land en Sint-Hubertus.

Wat is hondsdolheid?

Hondsdolheid of rabiës is een zoönose, een ziekte die overgedragen wordt van dier op mens. De ziekte treft enkel zoogdieren. De meest beruchte overdragers zijn honden, maar ook katten, apen, vossen en vleermuizen kunnen de infectieziekte verspreiden. De ziekte wordt veroorzaakt door het lyssavirus, dat zich in het speeksel van een besmet dier bevindt. Via een beet of een lik kan het overgezet worden op de mens.

Vervolgens reist het rabiësvirus via het zenuwstelsel naar de hersenen van de mens waar het een hersenontsteking veroorzaakt. Door de verspreiding via het zenuwstelsel omzeilt het virus ook het immuunsysteem, waardoor het vrijwel ongemerkt tot in de hersenen geraakt.

Figuur 1: Gravure van een hond met rabiës

Bron: L.P Baltard, Notice sur la rage, 1800, 1800, https://wellcomeimages.org/indexplus/obf_images/19/55/5dbd2efa1f20662782541b160167.jpg Gallery: https://wellcomeimages.org/indexplus/image/V0010531.html, https://commons.wikimedia.org/wiki/File:A_dog_with_rabies_and_a_detail_of_its_skull._Line_engraving_Wellcome_V0010531.jpg.

Wanneer een persoon door een dier met hondsdolheid wordt gebeten, duurt het gemiddeld 20 tot 90 dagen vooraleer de eerste symptomen optreden. Dit grote verschil in incubatietijd (de periode tussen de besmetting en het moment waarop iemand ziek wordt) heeft te maken met de plaats van de beet: hoe dichter bij de hersenen, hoe korter de incubatieperiode.

De eerste kenmerken van rabiës lijken op griep en zijn dus aspecifiek. De zieke heeft last van koorts, misselijkheid en hoofdpijn. Vaak voelt de patiënt ook vreemde tintelingen op de plaats van de beet. Eén dag na de eerste symptomen verschijnen meestal de typerende kenmerken van rabiës.

Razernij en hydrofobie

In 80% van de gevallen veroorzaakt de ziekte hevige agitatie: de patiënt wordt zeer onrustig en overgevoelig voor externe prikkels. Soms treden er woedeaanvallen op, wat de vroegere naam voor hondsdolheid ‘razernij’ verklaart. Ook de term ‘rabiës’ is afgeleid van het Latijnse woord voor woede. Omdat slikken helse pijn kan uitlokken, ontwikkelen patiënten een intense angst voor water of andere vloeistoffen. In de negentiende eeuw werd rabiës daarom ook wel watervrees of hydrofobie genoemd. Deze uiting van de ziekte wordt ook wel furieuze rabiës genoemd.

Bij een minderheid van de gevallen (20%) treedt geen watervrees op en kenmerkt het ziekteverloop zich door verlammingsverschijnselen die zich in een aantal dagen verspreiden over het volledige lichaam. De verlamming veroorzaakt ademhalings- en slikproblemen, waardoor de patiënt gaat kwijlen. Deze uiting van de ziekte wordt paralytische rabiës genoemd.

Uiteindelijk leiden beide vormen tot ademhalingsproblemen of coma en overlijden.

Een oude ziekte

De opvallende symptomen van rabiës hebben ervoor gezorgd dat de ziekte reeds tijdens de oudheid werd gedocumenteerd. De oudste verwijzing naar hondsdolheid is terug te vinden in de in Irak gevonden codex van Eshnunna, een wetboek uit ongeveer 1900 v. Chr. Daarin staat dat de eigenaar van een dolle en agressieve hond die iemand bijt, een zilverboete van 40 shekel (komt overeen met 320 gram zilver) moet betalen als de persoon aan de beet overlijdt.

Meer nauwkeurige omschrijvingen zijn terug te vinden bij de Griekse artsen Hippocrates (vijfde eeuw v. Chr.) en bij de Romeinse Celsus (eerste eeuw). Celsus verwijst bijvoorbeeld heel duidelijk naar de kenmerkende watervrees of hydrophobia die optreedt bij hondsdolheid. Hij stelt dat de zieken tegelijk werden gekweld door hevige dorst én schrik voor water. Volgens Celsus was er zodra deze symptomen optraden, nog weinig hoop. De enige remedie bestond erin om de hondsdolle persoon onverwacht in een waterbad te gooien. De plotse confrontatie met het water zou volgens hem de dorst lessen en de watervrees genezen.

Sint-Hubertus: een ‘Belgische’ beschermheilige

In de middeleeuwen kreeg vrijwel elke ziekte een beschermheilige. Voor hondsdolheid was dat de Heilige Hubertus. Sint-Hubertus werd rond 656 geboren in Toulouse als Frankische edelman. Volgens de legende zag hij op Goede Vrijdag tijdens een jachtpartij in de Belgische Ardennen een hert met een kruis tussen het gewei. Dat visioen bracht hem tot inkeer: hij wijdde zijn leven aan het geloof en werd uiteindelijk bisschop van Luik.

Als een fervent jager met een voorliefde voor honden, groeide hij uit tot patroonheilige van de jacht en de honden. Die sterke associatie blijkt ook uit het feit dat één van de belangrijkste speurhonden, de bloedhond, ook wel Sint-Hubertushond wordt genoemd.

Vanaf de dertiende eeuw dook het ‘Sint-Hubertussleutel’-ritueel op; een verhitte sleutel werd op de bijtwonde gedrukt om hondsdolheid te genezen. Daarnaast bestaat vandaag ook het zogeheten Hubertusbrood. Volgens de overlevering genas een man van rabiës nadat Hubertus hem brood had gegeven. In de regio Luik wordt dit brood nog steeds gegeten op zijn naamdag, 3 november.

Maatregelen tegen hondsdolheid

Het angstaanjagende ziekteverloop van rabiës in combinatie met de hoge sterftegraad zorgde ervoor dat lokale overheden diverse maatregelen namen. Om het aantal zwerfhonden te beperken, inden veel gemeenten een hondenbelasting. Vandaag bestaat deze belasting nog in een klein aantal gemeenten in Wallonië en Nederland en dient ze voornamelijk om fiscale redenen en om overlast door zwerfhonden tegen te gaan. Daarnaast werd er ook ingezet op preventie. In 1911 publiceerde het Ministerie van Binnenlandse Zaken een boek met modelvormen van verschillende muilbanden om ‘de razernij’ te voorkomen (figuur 2).

Door de relatief lange incubatietijd van hondsdolheid kwamen grote uitbraken weinig voor. Bij besmetting greep de overheid wel in: via affiches werd gewaarschuwd voor hondsdolheid in de omgeving. De belangrijkste maatregel was het doden van honden die losliepen na zonsondergang. Eigenaars die later werden geïdentificeerd, riskeerden een boete of zelfs een gevangenisstraf. Tevens gold in risicoperiodes een muilbandplicht.

Figuur 2: een van de muilkorven die werd voorgeschreven door de overheid

Bron: Dossiers betreffende de hondsdolheid: Voorkoming der razernij: modelvormen der voorgeschreven muilbanden, 6. (Modern Stadsarchief Tielt, Tielt (MAT)), Openbare Gezondheid, Aandoeningen van dierlijke aard,  BE SAT/MAT/07/C/P.B./964b.

Joseph Meister

Tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw kende de geneeskunde een grote vooruitgang. Rabiës speelde hierin een belangrijke rol.

Tijdens de zomer van 1885 werd de negenjarige Joseph Meister in het Duitse Steige gebeten door een dolle hond. Op dat moment had de Franse chemicus Louis Pasteur een experimenteel vaccin ontwikkeld tegen rabiës, maar het was nog nooit op mensen getest. Omdat symptomatische hondsdolheid een doodsvonnis was, had Joseph Meister weinig keuze dan testpersoon te zijn. Het vaccin werkte, want de jongen werd niet ziek.

Dit moment was een belangrijke mijlpaal binnen de medische geschiedenis, want het vaccin tegen hondsdolheid en de vrijwel gelijktijdige ontdekkingen van diverse ziekteverwekkers (1873 lepra, 1882 tuberculose, 1885 cholera, …) versnelden de behandeling van tal van aandoeningen. Niet veel later werden er ook vaccins ontwikkeld tegen onder meer difterie en tetanus.

Figuur 3: Joseph Meister kreeg het allereerste vaccin in 1885

Bron: Gerald L. Geison, The Private Science of Louis Pasteur (Princeton: Princeton university press, 1995), 242.

Huidige situatie

Vandaag is rabiës via vaccinatie te voorkomen, maar de ziekte is spijtig genoeg nog altijd dodelijk wanneer er symptomen optreden. Wereldwijd overleefden slechts enkele patiënten om onbekende redenen.

Via het Milwaukeeprotocol proberen artsen het lichaam van de zieke via een kunstmatige coma de tijd te geven zelf antistoffen aan te maken. De Amerikaanse Jeanna Giese overleefde zo een rabiësbesmetting na een beet door een vleermuis in 2004. Hierna werd het Milwaukeeprotocol nog vaak toegepast, maar zonder resultaat. Het is dus niet helemaal duidelijk waarom Giese de ziekte overleefde. Het blijft daarom essentieel om bij een verdachte beet van een dier zich onmiddellijk naar een arts te begeven om zich te laten vaccineren.

Sinds 2001 komt hondsdolheid niet meer voor in België, behalve onder vleermuizen. Om die reden is het verboden om niet gevaccineerde dieren mee te brengen uit het buitenland, want op deze manier kan rabiës opnieuw opduiken in ons land.

In 2022 trad bovendien een nieuwe wet in werking over rabiësquarantaine en moeten dieren die illegaal vanuit het buitenland worden meegenomen naar ons land in verplichte quarantaine. Ook wie met huisdieren naar het buitenland gaat, is wettelijk verplicht om ze te laten vaccineren. In Latijns-Amerika, Afrika en Azië eist hondsdolheid jaarlijks nog 60.000 doden. Het is dus geen ziekte die volledig is uitgeroeid.

De situatie in Antwerpen

In het doodsoorzakenregister van Antwerpen zijn vijf gevallen van hondsdolheid terug te vinden, al ligt het werkelijke aantal overlijdens mogelijk hoger. Het is onzeker of artsen rabiës altijd konden onderscheiden van aandoeningen met gelijkaardige symptomen zoals tetanus. De verwarring blijkt in elk geval uit diagnoses met doodsoorzaken zoals ‘tetanos rabique’ waarbij het niet duidelijk is of het om tetanus dan wel hondsdolheid gaat. Historicus Karel Velle toonde bovendien aan dat ambtenaren niet altijd even secuur waren, en hydrofobie wel eens verwarden met hydropsie, een andere naam voor oedeem.

Omdat rabiës hoe dan ook geen epidemische ziekte is, betreft het vrijwel altijd geïsoleerde gevallen. Het is daarom zinvol om ook andere doodsoorzakenregisters te onderzoeken. Hierbij moet rekening worden gehouden met historische benamingen want de term ‘rabiës’ kende vooral in de twintigste eeuw zijn opmars. Zoek daarom ook op oudere termen zoals hydrofobie, (honds)razernij en (honds)dolheid, evenals de Franse term rage en in mindere mate het Duitse Tollwut.

Literatuur

Bronnen

  • Dossiers betreffende de hondsdolheid: Voorkoming der razernij: modelvormen der voorgeschreven muilbanden (Modern Stadsarchief Tielt, Tielt (MAT)), Openbare Gezondheid, Aandoeningen van dierlijke aard,  BE SAT/MAT/07/C/P.B./964b.
  • Dossiers betreffende de hondsdolheid: Algemeene verordening nopens de voorkomingsmaatregelen tegen de hondsrazernij 16.07.1891 (Modern Stadsarchief Tielt, Tielt (MAT)), Openbare Gezondheid, Aandoeningen van dierlijke aard,  BE SAT/MAT/07/C/P.B./964b