Ziekte in de kijker: cholera

Vrijwilligers die werken in de doodsoorzakenregisters van de negentiende eeuw zullen vaak choleradoden aantreffen. Cholera was immers een van de belangrijke epidemische ziekten in de negentiende eeuw en teisterde de Belgische bevolking toen zevenmaal. De ergste epidemische uitbraak vond plaats in 1866, en maakte 43.400 slachtoffers, vooral in de steden en de omliggende gemeenten. Grote steden, zoals Brussel en Antwerpen, werden ongemeen zwaar getroffen. Brussel telde 3.469 cholera doden; in Antwerpen bedroeg het aantal doden 2.961. In Europa is de ziekte ondertussen verdwenen, maar uitbraken van cholera troffen landen zoals Mozambique, Haïti of de Dominicaanse Republiek tot in de eenentwintigste eeuw.

Cholera is een bacteriële infectieziekte, veroorzaakt door de vibrio cholerea, en gaat gepaard met symptomen zoals braken en diarree, die dood door uitdroging tot gevolg kunnen hebben. Slachtoffers krijgen ook vaak een blauwachtige huidskleur waardoor de ziekte als de ‘blauwe dood’ is gekend. De incubatietijd is maximaal enkele dagen. Lange tijd dacht men dat kwalijke geuren – zogenaamde miasmen – de ziekte veroorzaakten. Die stinkende uitwasemingen rezen op uit de talrijke verontreinigde waterlopen, of ruien en vlieten in de steden, die vaak als dumpplaats voor menselijk en dierlijk afval functioneerden. In werkelijkheid gebeurde de verspreiding meestal via besmet drinkwater. Tot diep in de negentiende eeuw was men voor drinkwater hoofdzakelijk aangewezen op gemeenschappelijke waterputten en waterlopen. De Engelse arts John Snow wees reeds in de jaren 1850 op het gevaar van vervuild water. Een doorbraak in de strijd tegen de ziekte kwam er pas in 1883. Toen ontdekte de Duitser Robert Koch de cholerabacterie en kon men een vaccin ontwikkelen.

Talrijke tekeningen en cartoons leggen het verband met besmette waterputten, zoals deze waar de dood besmet water uitdeelt aan de armen

Zowel tijdens de grote cholera-uitbraken van 1832-1833, 1848-1849 als die van 1866, was het dichtbevolkte en arme Sint-Andrieskwartier in Antwerpen één van de meest getroffen gebieden, naast de wijk waar vooral de havenactiviteiten zich concentreerden. De bevolking in de stad was in de eerste helft van de negentiende eeuw meer dan verdubbeld en de stad was nog geprangd tussen de oude stadswallen, waardoor de binnenstad overvol was en betaalbare en kwalitatieve woningen moeilijk te vinden waren. Gezinnen huurden tegen woekerprijzen en hokten samen in veel te kleine, donkere en weinig verluchte wooneenheden. Er heerste gebrek aan sanitaire voorzieningen en pispotten werden gewoon geledigd in de straatgoot die vaak uitmondde in de ruien. Voor watervoorziening maakten de bewoners vaak  gebruik van publieke waterputten die de besmetting aanwakkerde.

In het hart van het Sint-Andrieskwartier, met name in de Boeksteeg (de huidige Nationalestraat) en de Vliersteeg (de huidige Lange Vlierstraat), gelegen vlakbij de huidige Sint-Andriesplaats, waren tijdens de drie grote cholera-uitbraken het hoogst aantal slachtoffers te betreuren. Maar ook elders in de binnenstad en in de vijfde wijk woedde vooral de epidemie van 1866 harder dan tevoren. De stadsingenieur Van Bever kleurde de door cholera getroffen huizen in op het stadsplan in 1866, en dat bevestigde alleen maar de visie van tijdgenoten. Want precies in de krottenwijken en in de omgeving van vlieten en ruien waren de meeste getroffen woningen te vinden.

Stadsplan uit 1866 met aanduiding van door cholera getroffen huizen door Theodoor Van Bever. (Felixarchief, Stadsarchief Antwerpen, 641#713).

De epidemieën van 1848-1849 en 1866 schudden de burgerij wakker. Die had voordien maar weinig interesse getoond in de pauperwijken, maar was nu bevreesd voor de gezondheid van de hele stedelijke bevolking. Tijdgenoten zagen gebrek aan persoonlijke hygiëne, maar ook losbandig gedrag bij de armere bevolking als oorzaken van de verdere verspreiding van de ziekte. Maar ook mobiele groepen, zoals matrozen, werden vaak met de vinger gewezen wanneer een cholera-epidemie woedde, wat leidde tot quarantaine van inkomende schepen in de haven. Dat gebeurde ook op 13 mei 1866, toen het Bremer schip Agnes met zijn bemanning en passagiers in quarantaine werd geplaatst.

De brede paniek voor de ‘blauwe dood’, zette het stadsbestuur aan om naar oplossingen te zoeken.  Huizen met slachtoffers werden met een zwart kruis gemerkt, gangen ontsmet met ijzersulfaat of chloorkalk, krotwoningen ontruimd, muren gekalkt, lucht gezuiverd door regelmatig openen van ramen en deuren; betreurde overledenen moesten snel worden begraven, en extra geloofsdiensten werden georganiseerd om te bidden voor genezing. De bevolking werd aangemaand tot soberheid en hygiëne. Maar, er werd ook naar meer fundamentele oplossingen gezocht. Zo besliste men straten te plaveien, ruien en vlieten verder te dempen of overkappen, en het rioleringsnet uit te breiden. Zelfs hele stadsbuurten werden heraangelegd en dat gold ook voor het Sint-Andrieskwartier waar de toenmalige Boeksteeg tussen 1877 en 1883 werd verbreed en 730 woningen in de belendende straten werden afgebroken. Met de oprichting van een slachthuis op de Dam in 1876 kwam eveneens een einde aan de aanwezigheid van slachtafval in de binnenstad. Omdat het Sint-Elisabeth ziekenhuis, dat vooral behoeftige slachtoffers opving overbelast was, opende na de epidemie van 1866 het Sint-Bartholemeusziekenhuis (nu Jan Palfijn-ziekenhuis) in Merksem en startte enkele jaren later de bouw van het Stuivenberggasthuis dat in 1884 werd geopend als een van de modernste ziekenhuizen uit West-Europa.

Boeksteeg, geromantiseerde voorstelling door Jozef Linnig, ca. 1877. (Felixarchief, Stadsarchief Antwerpen, 12#3013).

Het belangrijkste was evenwel de modernisering van de drinkwatervoorziening. In de jaren 1860 ontving het stadsbestuur verschillende voorstellen voor de aanleg van een nieuw drinkwaterleidingnet. Pas in 1873 nam het stadsbestuur een beslissing en in 1881 waren de installaties die Nete-water oppompten, zuiverden in Walem en via een lang buizennet naar de stad brachten klaar. De Brabofontein die op 21 augustus 1887 werd ingehuldigd op de Grote Markt symboliseert aan de hand van het Brabobeeld niet alleen de economische vrijheid. De fontein staat ook symbool voor de sanitaire en zuivere stad, verbonden als ze is met het stedelijke ondergrondse waterleidingnet. Het doortrekken van de waterleidingen tot in de privéwoningen zou nog een hele tijd aanslepen, en dat gold vooral voor de armere huishoudens.

Lees meer:

  • Bertels, Inge, Bert De Munck & Herman Van Goethem (ed.), Antwerpen. Biografie van een stad (Antwerpen 2010).
  • Boeckx, Katrien, 13 mei 1866. Cholera maakt 3.000 doden, De 25 dagen van Antwerpen (Amsterdam, 2007).
  • Van Craenenbroeck, Wim, Antwerpen op zoek naar drinkwater het ontstaan en de ontwikkeling van de openbare drinkwatervoorziening in Antwerpen, 1860-1930 (Tielt 1998).
  • Devos, Isabelle, De cholera-epidemie van 1866 in Brussel. Een reconstructie (Gent, Queteletcentrum, 2020).
  • Eggerickx, Thierry en Poulain, Michel, ‘L’épidemie de cholera en 1866. Le cas de Belgique’, in : Bardet J.-P., Bourdelais P., Guillaume P., Lebrun F., Quétel C. (eds); “Peurs et terreurs face à la contagion. Choléra, tuberculose, syphilis, XIXe-XXe siècles, Parijs, 1988, p. 56-82.
  • Van de Vijver, Sonja, Cholera te Antwerpen 19e eeuw (Licentiaatsverhandeling Geschiedenis, Universiteit Gent, 1969).