• Berichtcategorie:Onderzoek

In de 19de eeuw lokte de belofte van werk en een beter leven honderdduizenden van het platteland naar de groeiende industrie- en havensteden. Maar achter die modernisering school een donkere keerzijde: wie in de stad woonde, had een veel grotere kans om jong te sterven. Antwerpen was daarin geen uitzondering, al leek de stad het iets beter te doen dan andere Belgische steden.

Isabelle Devos en Tina Van Rossem onderzochten hoe het gesteld was met de levensverwachting in de Belgische steden tussen 1846 en 1910. Ze verzamelden data uit tien steden, waaronder Antwerpen.  Ze toonden dat verstedelijking in die tijd gepaard ging met ernstige gezondheidsrisico’s, en dat die niet overal even groot waren.

Lagere levensverwachting voor wie in de stad leefde

In de steden was het leven allesbehalve gezond. Zeker in de tweede helft van de 19de eeuw bleek stedelijk wonen een regelrechte risicofactor. Vooral Brussel komt naar voren als het somberste voorbeeld: daar lag de gemiddelde levensverwachting rond 1856 op amper 30 jaar, terwijl het nationale gemiddelde rond de 40 lag. Industriële centra, zoals Gent en Seraing, deden het niet veel beter.

Ook in Antwerpen lag de levensverwachting significant lager dan op het platteland. Antwerpen ontwikkelde zich tijdens de 19de eeuw van een regionaal textielcentrum tot een internationale havenstad. De transport- en handelssectoren in Antwerpen bloeiden. De scheepsbouw boomde, import- en exportbedrijven floreerden en in hun kielzog volgden banken, verzekeringsmaatschappijen en transportondernemingen. Ook het aantal cafés en restaurants steeg. Die economische groei ging echter gepaard met sociale uitdagingen, Antwerpen werd op korte tijd de grootste stad van het land met overbevolking en slechte woonomstandigheden voor de arbeidersklasse als gevolg. In sommige wijken woonde men met tot wel 12 mensen op een kamer.

Passagiers schuiven aan voor de overzetboot aan het Vlaams hoofd aan Linkeroever (© Felixarchief, stadsarchief Antwerpen)

Kinderen en mannen het zwaarst getroffen

De gezondheidslast van een leven in de stad was niet voor iedereen gelijk. Afhankelijk van de stad waren andere groepen het meest kwetsbaar. Sommige steden en bevolkingsgroepen betaalden een veel hogere prijs voor de economische vooruitgang dan anderen. Zo blijkt dat in Gent een bijzonder hoog aantal zuigelingen stierf, in Brugge bleken jonge meisjes een kwetsbare groep, in Brussel stierven meer volwassen mannen en in Luik en Seraing waren oudere mannen het meest getroffen.

De specifieke economische kenmerken van de steden en de bijbehorende arbeidsomstandigheden lijken ten minste een deel van deze verschillen te verklaren. Zo hadden de vele vrouwelijke fabrieksarbeiders in Gent minder mogelijkheden om hun baby’s borstvoeding te geven, waardoor hun zuigelingen kwetsbaarder werden voor ziektes. De Brugse kantindustrie veroorzaakte mogelijk de vroegtijdige sterfte (door tuberculose) van veel meisjes die er samen in de ateliers werkten. De ongezonde omstandigheden in de Brusselse ateliers voor luxe- en andere consumptiegoederen hadden daar vooral effect op de mannelijke bevolking, en de lange-termijngevolgen voor degenen die ooit in de Waalse mijnen hadden gewerkt, waren merkbaar in Luik en Seraing.

Welke groepen waren kwetsbaar in Antwerpen? In de stad stierven opvallend veel jonge kinderen door infectieziekten. Dit wijst op onderliggende structurele problemen: gezinnen leefden dicht op elkaar, medische zorg was beperkt en hygiënisch leven was vaak een luxe. Een andere groep die het bijzonder zwaar had in de stad, waren de jonge mannen. In de Antwerpse haven werkten zij in gevaarlijke en vaak ongezonde omstandigheden. Het laden en lossen van schepen was bijzonder risicovol. Ongevallen kwamen in Antwerpen vaker voor dan elders, met een hoge sterfte als gevolg. De industriële economie draaide op de arbeid van jonge mannen, wat echter ten koste ging van hun gezondheid.

Dokwerkers in de Antwerpse haven (© Felixarchief, stadsarchief Antwerpen)

Lichtpuntjes aan het einde van de eeuw

Toch is het verhaal niet alleen kommer en kwel. Vanaf de jaren 1890 kwam langzaam verandering. In 1889 werd in België kinderarbeid verboden: kinderen jonger dan 12 jaar mochten niet meer in fabrieken werken. Nachtwerk werd verboden, en het maximum aantal werkuren per dag werd vastgelegd. Steden investeerden in waterleidingen en rioleringen, en goede hygiëne begon als publieke en persoonlijke zaak serieus genomen te worden.

Ook Antwerpen zette toen stappen vooruit, onder meer door stadsuitbreidingen, nieuwe bouwvoorschriften en gezondheidsinitiatieven. De aanleg van nieuwe riolen, drinkwaterleidingen in 1881 en stadsvernieuwing maakten dat de gezondheidssituatie er langzaam maar zeker begon te verbeteren. In 1910 telde de stad een levensverwachting van 48 jaar, zeven jaar meer dan Brussel en de hoogste levensverwachting van alle onderzochte steden.

Een les uit het verleden, ook voor vandaag

Het onderzoek van Devos en Van Rossem maakt duidelijk dat urbanisatie niet voor iedereen gelijk uitpakte. Antwerpen was tegelijk een plaats van economische bloei én van gezondheidsrisico’s, vooral voor wie jong of werkzaam was in de haven.

Vandaag worstelen we in steden opnieuw met ongelijkheid, luchtvervuiling en woonproblemen. Hoe we onze steden organiseren, bepaalt ook nu nog wie gezond blijft en wie niet.

Voor iedereen die aan de slag is gegaan met het digitaliseren van Antwerpse gegevens: jullie werk helpt dit verleden tot leven te brengen. Door de cijfers toegankelijk te maken, worden dit soort inzichten mogelijk en wordt duidelijk hoe belangrijk het is om lokale geschiedenis met zorg te bewaren.

Meer lezen?

Zin om de volledige artikels van Isabelle en Tina te lezen?

Devos, Isabelle, en Van Rossem, Tina. 2015. “Urban Health Penalties: Estimates of Life Expectancies in Belgian Cities, 1846-1910.” Journal of Belgian History 45 (4): 74–109.

Devos, Isabelle. “A Decomposition Approach to Cause-Specific Mortality in the Port City of Antwerp in the Early 20th Century”. Historical Life Course Studies, 15 (publicatie in 2025).