Je bekijkt nu Interview met Isabelle Devos
Isabelle Devos
  • Berichtcategorie:Interview

Isabelle Devos is de promotor van het burgerwetenschapsproject S.O.S. Antwerpen. Ze is als hoogleraar verbonden aan de Vakgroep Geschiedenis en het Queteletcentrum voor Kwantitatief Historisch Onderzoek van de Universiteit Gent.

Dag Isabelle, kan je ons iets meer vertellen over wie je bent en het type onderzoek dat je doet?

Ik ben van opleiding historica maar ook demograaf. Ik combineer die twee disciplines in mijn onderzoek, de historische demografie. Demografen bestuderen niet alleen sterfte, maar ook geboorte- en huwelijkspatronen. Ik hou me wel het meest bezig met sterfte en de evolutie ervan, meer bepaald vanaf de zeventiende eeuw tot en met de vroege twintigste eeuw. Daarbij gaat mijn interesse vooral uit naar de regionale verschillen, verschillen tussen stad en platteland, maar ook tussen de steden onderling. Bijvoorbeeld, waar was het eigenlijk best om te wonen in de negentiende eeuw, en waar het slechtst?

In vergelijking met andere steden waren de levensomstandigheden in Antwerpen vrij goed. In Brussel waren die het slechtst. Antwerpen werd de grootste stad van België in de negentiende eeuw. Het was een stad met veel migratie, een heel dynamische stad. Je zou verwachten dat de omstandigheden, zeker in tijden van epidemieën, er slechter waren omdat er zoveel mobiliteit was en allerlei infectieziekten konden worden geïmporteerd. Maar eigenlijk, als je de levensverwachting bekijkt, was Antwerpen in de negentiende eeuw een vrij gezonde stad.

Daarnaast interesseren ook de sociale verschillen mij. Ik onderzoek in welke sociale klassen welke ziektes voorkwamen, wat de verschillen tussen mannen en vrouwen waren, en waarom. Heeft het vooral te maken met de genen? Of eerder met de levensomstandigheden?  Om zo’n onderzoeksvragen te beantwoorden, is een doodsoorzakenregister uitermate waardevol.

Hoe ben je op dat Antwerpse doodsoorzakenregister gestoten? Jij werkt toch in Gent?

Mijn Nederlandse collega Angélique Janssens van de Radboud Universiteit Nijmegen is in 2016 gestart met een burgerwetenschapsproject op basis van het Amsterdamse doodsoorzakenregister. Zij heeft me indertijd aangeraden om op zoek te gaan naar het doodsoorzakenregister voor Antwerpen, ook een havenstad. Ik had geen grote verwachtingen omdat ik wist dat in België de doodsoorzakenregisters volgens de wet moesten worden vernietigd. Gelukkig is het Antwerpse archief heel goed digitaal ontsloten en heb ik het doodsoorzakenregister zo teruggevonden. Ik kon het bijna niet geloven. Ik ben dan naar het archief gegaan om te kijken of het echt wel was wat ik dacht. Het is een fantastische bron. Ik zag meteen dat we er fantastische dingen mee konden doen.

Ondertussen zijn er gelijkaardige projecten lopende in een tiental andere havensteden in het buitenland. We hebben ons verenigd in een netwerk, met de toepasselijke naam SHiP (Study of History of Health in Port Cities). De komende jaren zullen we onze gegevens vergelijken.

Het Antwerpse doodsoorzakenproject was één van 7 burgerwetenschapsprojecten die in december 2019 financiering ontvingen van de Vlaamse Overheid. Waarom is dat volgens jou? Wat is er zo speciaal aan het Antwerpse doodsoorzakenregister?

Er zijn eigenlijk twee zaken die dit project speciaal maken. De meeste lopende burgerwetenschapsprojecten in Vlaanderen zijn projecten over natuur en milieu (bv. Curieuzeneuzen, vogeltellingen). Een historisch project is dus op zich al wat uitzonderlijk. In vergelijking met andere wetenschappen, gebeuren er niet zoveel aanvragen door historici. Dat is eigenlijk zonde, want veel mensen zijn in hun vrije tijd met geschiedenis bezig. Ze maken hun eigen stamboom of ze zijn actief in een heemkundige kring. Binnen de academische wereld wordt eigenlijk maar zelden beroep gedaan op die expertise. Nochtans zit daar een enorm potentieel van mensen die graag willen meewerken en die veel kwaliteiten hebben. 

Ten tweede is het Antwerpse doodsoorzakenregister zelf heel uniek. Antwerpen is met een doodsoorzakenregister begonnen in 1820, terwijl de overheid dit pas verplichtte vanaf 1851. De stad was dus ver voor op zijn tijd. Het register is ook uitzonderlijk omdat het bewaard is gebleven. In de meeste gemeenten zijn de registers vernietigd omwille van medische privacy. Het loopt bovendien ononderbroken door tot 1946. Dat is heel bijzonder omdat we daardoor ook gegevens over de Tweede Wereldoorlog hebben. Ik ken geen enkel ander doodsoorzakenregister in België waarvan ook de gegevens van de oorlogsjaren zijn bewaard gebleven. Een doodsoorzakenregister over zo’n lange termijn, voor zo’n grote stad, met de gegevens van een half miljoen personen, dat is buitengewoon!

Wat willen jullie bereiken met S.O.S. Antwerpen?

Momenteel zijn we dus volop bezig met de crowdsourcing, het verzamelen van de data uit het doodsoorzakenregister met hulp van vrijwilligers. Eens die data verzameld zijn, kunnen we beginnen aan het eigenlijke onderzoek. We weten al veel over de evolutie van de doodsoorzaken in België op nationaal vlak op basis van totaalstatistieken. We weten aan welke ziektes men stierf en hoe dat doorheen de tijd is geëvolueerd. Maar we weten heel weinig over de verschillen tussen de mensen, tussen sociale klassen, tussen mannen en vrouwen, tussen kinderen en volwassenen, enz. Wie stierf er het meest aan bepaalde ziektes en waarom? Dat willen we bestuderen. Dankzij het doodsoorzakenregister hebben we gegevens op het niveau van het individu, waardoor we de kwetsbaarheid van verschillende groepen voor bepaalde ziektes voor het eerst in detail zullen kunnen analyseren.

Wie stierf er het meest aan bepaalde ziektes en waarom? Dat willen we bestuderen.

De doodsoorzaak is daarbij de essentiële sleutel, omdat ze toelaat de verschillen tussen verschillende groepen te begrijpen. Als iemand aan tuberculose sterft, dan kan dat wijzen op slechte werk- of woonomstandigheden. Terwijl hart- en vaatziekten veeleer te wijten zijn aan de levensstijl. We weten bijvoorbeeld dat de Joodse bevolking vroeger een hogere levensverwachting had in vergelijking met de katholieken, maar waarom dat zo is, weten we niet. Heeft het te maken met andere voedingsgewoonten en voedselbereiding? Of heeft het te maken met een meer hygiënische levensstijl? De doodsoorzaak is de sleutelvariabele om meer zicht te krijgen op de oorzaken van die verschillen. De databank die met S.O.S. Antwerpen gecreëerd wordt, laat ons dus toe te onderzoeken waar die verschillen aan te wijten zijn. 

Wat kan er dankzij de gecreëerde databank dan zoal onderzocht worden?

We gaan veel kunnen onderzoeken dat voordien niet mogelijk was. Zoals de geografische verspreiding van epidemieën in de stad. Binnenkort starten Hilde (Greefs) en ik, samen met andere collega’s, bijvoorbeeld met het onderzoeksproject EPIBEL dat zich toespitst op de studie van epidemieën. Op basis van de data verzameld in S.O.S. Antwerpen zullen we het verloop van onder andere de cholera-epidemie uit 1866 en de Spaanse griep uit 1918 kunnen bestuderen: waar startte de epidemie en hoe verspreidde die zich doorheen de stad? Wie werd het eerst getroffen? Wie pas later? Dat betekent wel dat we de gegevens uit het doodsoorzakenregister nog moeten koppelen aan de overlijdensakten omdat daarin het adres wordt vermeld.

We zullen ook kunnen onderzoeken wie het meeste leed aan hart- en vaatziekten, aan kanker, enz. en hoe dat veranderde doorheen de tijd. Ook de verschillen tussen mannen en vrouwen, tussen katholieken en joden, enz. De religieuze achtergrond staat natuurlijk niet in het doodsoorzakenregister, maar we hebben wel het geluk dat in bepaalde periodes de begraafplaats en de begrafenisondernemer werden genoteerd. Aan de hand daarvan kunnen we religieuze groepen identificeren.

Ook de impact van migratie op de volksgezondheid zal kunnen onderzocht worden. Wat waren bijvoorbeeld de gezondheidsverschillen tussen mensen geboren in Antwerpen en mensen met een migratieachtergrond? Door het register te koppelen aan de overlijdensakten kunnen we zien wie in Antwerpen werd geboren en wie niet. Recent onderzoek wijst op een healthy migrant effect, namelijk dat migranten meestal gezonder zijn dan niet-migranten, omdat het de sterkste, gezondste mensen zijn die verhuizen (en niet de zieke). Misschien kan dat helpen verklaren waarom Antwerpen in de negentiende eeuw een gezondere stad was dan Brussel. Dat willen we graag onderzoeken.

We willen ook graag de hypothese testen of de hogere sociale klassen wel diegene waren die het eerst van de medische vooruitgang genoten. Dat zou je dan het eerst zien in de doodsoorzaken. Als je bijvoorbeeld kijkt naar hart- en vaatziekten en kanker in de jaren 1870, zie je weinig sociale verschillen. Tegenwoordig is dat wel het geval. Wij vermoeden dat medische verbeteringen het eerst zichtbaar zijn via een gewijzigd sterftepatroon van de hogere klassen. Zij genieten mogelijk als eersten van nieuwe medische doorbraken en inzichten, omdat zij als eersten hierover horen of lezen, en de mogelijkheden ervoor hadden. Maar dat is niet zeker, want mogelijk hadden hogere klassen een slechtere levensstijl (bv. rijke voeding).

Het onderzoeken van al dit soort patronen kan ons vandaag helpen bepalen waarin men moet investeren als je de volksgezondheid wil verbeteren. Op welke groepen moet je je richten om het snelst vooruitgang te boeken? Kennis over de patronen in het verleden maakt het mogelijk om vandaag meer gerichte gezondheidsmaatregelen te nemen. Nu zie je dat bijvoorbeeld met corona. Men neemt maatregelen voor de hele bevolking, maar misschien is dat niet nodig en moet men zich op specifieke groepen richten. Misschien moet er op een andere manier gecommuniceerd worden, en moeten er andere maatregelen getroffen worden naargelang de specifieke groep. 

Kennis over de patronen in het verleden maakt het mogelijk om vandaag meer gerichte gezondheidsmaatregelen te nemen.

De vrijwilligers hebben de voorbije maanden al een indrukwekkend aantal registers verwerkt. De invoer van de scans zit er bijna op. Hoe ziet de volgende fase van het project eruit en hoe kunnen vrijwilligers daarbij helpen? Kunnen mensen nog steeds aansluiten?

Jazeker! We hebben nog veel plannen en kunnen zeker nog extra handen gebruiken. Eens de invoer is afgerond, zoeken we nog mensen om te helpen bij de controle, maar ook bij het klaarmaken van de databank voor onderzoek. Zo kunnen we bijvoorbeeld hulp gebruiken bij het standaardiseren en het coderen van doodsoorzaken. Nu hebben we de doodsoorzaken zoals ze in de bron staan, maar we moeten ook een kolom creëren met geüniformeerde doodsoorzaken, zodat bijvoorbeeld tuberculose pulmonaire, tering, consomption onder de categorie tuberculose komt. We gaan dus grotere doodsoorzakencategorieën creëren waarmee we aan de slag kunnen.

Daarnaast moeten alle doodsoorzaken ook een code krijgen. Zoals ik al zei, maken we deel uit van het SHiP-netwerk. De bedoeling is dat we de doodsoorzaken in die verschillende steden kunnen vergelijken en bijgevolg moeten we allemaal dezelfde indeling van doodsoorzaken hanteren. Daarom zullen we de doodsoorzaken in al deze steden op dezelfde manier coderen. Ook de beroepen zullen we moeten standaardiseren. We zullen onze beroepen linken aan de HISCO-code, dat is een internationale code waarbij elk historisch beroep een code krijgt, opnieuw met als doel onze gegevens te kunnen vergelijken met die in andere steden. Ook daarbij kunnen de vrijwilligers helpen. 

Ook om de wetenschapscommunicatie te doen, kunnen we extra mensen gebruiken, bijvoorbeeld om verhalen te helpen schrijven. We zijn bij de invoer heel wat opmerkelijke zaken tegengekomen. Vrijwilligers kunnen helpen om daar wat meer info over op te zoeken en die gebeurtenissen terug voor het voetlicht te brengen.

We willen ook nog een medisch glossarium opstellen. We hebben nu veel ziektes opgelijst, maar het is niet altijd duidelijk wat die termen betekenen. We hebben wel wat mensen met een medische achtergrond tussen onze vrijwilligers die hier misschien bij willen helpen. 

De belangrijkste en omvangrijkste taak die nog op de agenda staat, is het koppelen van de databank met de overlijdensakten, de bevolkingsregisters en het kadaster. Het kadaster van 1834 is deels ingevoerd door het Centrum voor Stadsgeschiedenis van de Universiteit van Antwerpen (Gistorical Antwerp). Zij hebben ook een Historisch Geografisch Informatie Systeem uitgewerkt waarbij voor elk huis het kadastraal inkomen gekend is. De bedoeling is om voor een aantal steekproefjaren voor alle personen de corresponderende overlijdensakten op te zoeken en te noteren waar de mensen woonden, waar ze werden geboren en wat hun beroep was. Op die manier kunnen we zien tot welke sociale klasse ze behoorden. Ook de namen van de overledenen willen we nog eens extra controleren via de overlijdensakten. De databank zal voor het brede publiek doorzoekbaar zijn via de website van het Felixarchief. Dus, die namen moeten kloppen. Ook dat is iets waar mensen nog bij kunnen helpen. 

Waar zullen onze vrijwilligers en ander geïnteresseerd publiek de resultaten van het onderzoek kunnen terugvinden? Wat zullen de concrete resultaten zijn?

De databank zullen mensen kunnen consulteren via het Felixarchief. De komende jaren zullen wij onderzoek doen met de data die nu verzameld worden. Wij zullen daar heel wat artikels over publiceren. Het meeste zal natuurlijk gebeuren in wetenschappelijke tijdschriften, maar dat zal ook gecommuniceerd worden aan onze vrijwilligers en geïnteresseerden, onder andere via onze nieuwsbrief. Ook via de krant zullen we de mensen op de hoogte houden van de meest interessante zaken. We zijn nu volop bezig met het voorbereiden van een aanvraag die hopelijk financiering zal bieden voor dat onderzoek.

Wat vond je tot nog toe zelf het leukst aan het project? Zijn er ook nadelen? 

Ik ben heel blij met de grote interesse voor het project. Het verloopt erg snel en vlot. Dat had ik niet durven dromen. We hebben natuurlijk ook het ‘geluk’ gehad dat de relevantie van ons project heel erg duidelijk werd door de corona-epidemie. Door de coronamaatregelen zaten bovendien veel mensen noodgedwongen thuis, die op zoek waren naar een nuttige activiteit. Op dat vlak heeft de huidige gezondheidssituatie ons geen windeieren gelegd. 

Op technisch vlak hebben we ook weinig problemen ondervonden. Het systeem van Vele Handen werkt vrij goed. De grootste uitdaging is ons forum/helpdesk gebleken. Daar zijn wij, of beter Sven Vrielinck, bijna dag en nacht mee bezig. Zonder de uitzonderlijke inzet van Sven zou dit niet mogelijk zijn. Het is immers een hele uitdaging om mensen snel genoeg te kunnen bijstaan, zeker met een klein team.

Zijn er ook zaken die je hebben verrast? Wat had je niet verwacht?

Ik heb de indruk dat de motivatie van de deelnemers vrij divers is. Ik had op voorhand gedacht dat er vooral mensen zouden deelnemen met een grote interesse in doodsoorzaken en epidemieën. Maar dat is niet noodzakelijk zo. Voor velen is het een aangename en nuttige bezigheid om gegevens in te voeren. Elke regel is, zeker met het slordige handschrift van de ambtenaren, eigenlijk een beetje puzzelwerk. Ook dat mensen gebeten geraken door de historische microbe, is tof om te zien. Heel wat vrijwilligers beginnen zelf zaken uit het register op te zoeken, of durven nu ook zelf aan een eigen familiestamboom beginnen. Dat zien we bij de opmerkingen die mensen achterlaten bij de invoer, of in onze mailbox. Daar vinden we soms de neerslag van het onderzoek dat mensen zelf al gedaan hebben. 

Ik ben ook erg blij dat we zoveel vrijwilligers hebben met uitstekende invoerkwaliteiten, en dat er zoveel mensen heel standvastig vrijwel elke dag of elke week enkele scans doen. Daar zijn we zeer gelukkig mee! En vooral enorm, enorm dankbaar!