Gezondheidszorg in tijden van cholera
  • Post Category:In de media

Auteur: Isabelle Devos, promotor van S.O.S Antwerpen

Verschenen in: De Standaard, 16 maart 2020

In 1866 vielen bij een epidemie in België 43.400 doden. In Antwerpen stierven toen bijna 3.000 mensen. Volgens Isabelle Devos, promotor van S.O.S. Antwerpen en historica aan de Universiteit Gent, was het alomvattende pakket maatregelen toen noodzakelijk, zoals ook nu met de Corona-crisis.

Dezer dagen wordt geregeld verwezen naar epidemieën uit het verleden en de lessen die we daaruit kunnen trekken. Vooral de Zwarte Dood van 1348-’51 en de Spaanse Griep van 1918-’19 worden in herinnering gebracht. Daarbij gaat het over het enorme dodental, de quarantainemaatregelen en de zondebokken die schijnbaar voor deze pandemieën verantwoordelijk waren. De conclusie is meestal dat we nog zeer weinig weten over de geschiedenis van infectieziekten. Nochtans zijn er epidemieën uit het recente verleden waarover we wel goed zijn geïnformeerd.

België werd in de negentiende eeuw zeven keer door cholera geteisterd: in 1832-’33, 1848-’49, 1853-’54, 1859, 1866, 1883-’85 en 1891-’95. De epidemie van 1866 was met voorsprong de zwaarste. Toen vielen er 43.400 slachtoffers, wat neerkwam op 9 doden per 1.000 Belgen. Bijna de helft daarvan viel in de steden. Ook de rest van Europa werd zwaar getroffen: in de loop van 1865 bereikte de ziekte vanuit India via het Midden-Oosten het zuiden van Europa. Van daaruit verspreidde de ziekte zich over het hele continent. In totaal werden in Europa zo’n 1 miljoen cholera­doden geteld.

Cholera is een bacteriële infectieziekte met een incubatietijd van enkele dagen. De ziekte wordt vooral door besmet drinkwater verspreid. Voor drinkwater was men tot in de late negentiende meestal op (vervuilde) waterputten en waterlopen aangewezen. De belangrijkste symptomen van cholera zijn braken, diarree en een blauwe huidskleur. Om die reden werd de ziekte ook de ‘blauwe dood’ genoemd. Nauwelijks de helft van de patiënten overleefde de ziekte.

Miasmen

In maart 1866 kwam cholera vanuit verschillende richtingen België binnen. Het eerste slachtoffer viel op 15 maart in Roesbrugge, een arbeider die in Frankrijk besmet was geraakt. Daarna ging het erg snel en werden alle provincies getroffen. Van 50 choleradoden in de maand mei naar meer dan 1.500 in juni en ongeveer 12.700 in juli. De ziekte maakte in heel korte tijd veel slachtoffers, maar verdween ook relatief snel.

Net zoals bij het coronavirus vandaag spanden nationale, provinciale en lokale overheden zich in om de cholera te voorkomen en bestrijden. Nog voor de ziekte ons land had bereikt, werden in 1865 alle provinciegouverneurs door de minister van Binnenlandse Zaken, ondersteund door verschillende medische adviesorganen, verwittigd over de komst van een mogelijk zware epidemie en werd geld vrijgemaakt om de hygiëne te verbeteren. De werkelijke oorzaak van de ziekte was immers nog niet gekend. Dat was voor de meeste infectieziekten het geval. Pas sinds het laatste kwart van de negentiende eeuw weet men dat bacteriën, virussen en parasieten ziekteverwekkers kunnen zijn. De bestrijdingsmaatregelen daarvoor waren niet altijd efficiënt. Bij cholera dacht men dat de ziekte werd veroorzaakt door ‘miasmen’, stinkende geuren uit verontreinigde waterlopen en opgehoopt straatvuil, en dat die stank gezuiverd kon worden door onder andere chloorkalk.

De maatregelen tijdens de epidemie van 1866 waren zeer talrijk en specifiek. Quarantaine stond niet bovenaan de agenda, al moesten choleralijders opgenomen worden in aparte hospitaalzalen of in tijdelijke gasthuizen. De meeste andere maatregelen waren gericht op het verbeteren van de hygiëne van de buurtwegen, waterlopen, waterputten, openbare gebouwen en werkplaatsen. Speciale aandacht ging naar de arme wijken, waar de meeste slachtoffers vielen, en naar de scholen. Klaslokalen dienden elke avond gereinigd te worden. Lokale besturen hielden naam- en adreslijsten bij van alle cholerapatiënten op hun grondgebied. Ook de bevolking kreeg maatregelen opgelegd, zoals het proper houden van hun woning, dagelijks alle kamers verluchten, bepaalde groenten en dranken vermijden, bij ziekte een geneesheer raadplegen en vooral niet te panikeren. Er werden gezondheidscommissies opgericht die de gemeentebesturen en bevolking moesten helpen en die nagingen of de instructies goed werden nageleefd. Ook de politie voerde controles uit.

Grote sanering

Ook na de epidemie werden acties ondernomen. De overlijdens- en bevolkingsregisters zijn nooit zo nauwkeurig ingevuld als in de jaren vlak na de epidemie. De cholera-epidemie van 1848-’49 had trouwens al de aanzet gegeven voor het registeren van de doodsoorzaken. Sinds 1851 waren de gemeentelijke overheden verplicht een doodsoorzakenregister bij te houden, waarin voor elke overledene de doodsoorzaak en andere persoonlijke gegevens werden geregistreerd. Om een nieuwe epidemie te vermijden, kwam er na 1866 een groot saneringsproces op gang en werd in de grote steden begonnen met het systematisch dempen van grachten en kanalen en met de uitbouw van een riolerings- en waterdistributienet.

De laatste cholera-epidemie van 1891-’95 was een stuk milder. Ondertussen had de Duitse medicus Robert Koch de werkelijke oorzaak, de cholerabacterie, ontdekt en was het belang van drinkwater voor de verspreiding van de ziekte duidelijk geworden.

De les die we hieruit kunnen trekken, is dat misschien niet alle maatregelen effectief waren, maar dat het pakket van maatregelen dat uiteindelijk wel was, net omdat het allesomvattend was. Sommigen noemen de huidige maatregelen tegen de verspreiding van het coronavirus nu nog altijd overdreven of zelfs waanzin. De geschiedenis heeft geleerd dat we bij een onbekende ziekte begrip moeten hebben voor de maatregelen die autoriteiten nemen op basis van de beperkte beschikbare informatie. Gezien de letaliteit van het coronavirus en het ontbreken van een vaccin waren en zijn drastische maatregelen noodzakelijk.